Persoonlijke herinneringen

Enige persoonlijke herinneringen van Floris Visser, Aukje Koke-Kooistra, Judy Kers-Prelle

 

HURDEGARYP MEER DAN 50 JAAR GELEDEN

Een ode aan, je hebt haar misschien niet zelf meegemaakt als wijkzuster, dan heb je er wel van gehoord van ouders of grootouders; Zr. Tjitske Kaper

“Tusken Wâld en Wetter” heeft Marten Scholten de dorpskrant genoemd. En dat is heel terecht. Hurdegaryp lag op een zandrug tussen het veen. Aan de oostkant de Fryske wâlden en aan de overige kanten het lage midden van Fryslân. Die zandrug liep rond de Rijksstraatweg en de Burgemeester Drijberweg richting de Hoek. De Burgemeester Drijberweg heette eerst nog de Zomerweg (daar ben ik aan geboren). Burgemeester Drijber was indertijd tegen het bestraten van de Zomerweg. Misschien heeft men ‘daarom’ wel de weg naar hem vernoemd!

Op een bodemkaart van Fryslân zie je heel mooi de Dokkumer Wâlden en Trynwâlden liggen als een soort noordelijke zandpuist in het omringende klei- en veengebied. Dit zandgebied is ontstaan doordat een keileemlaag vrij ondiep aanwezig was, waardoor de zee er geen vat op kreeg. Mijn vader had als timmerman hier mee te maken. Hij noemde deze laag de oerlaach.

Eén van mijn eerste herinneringen was de bevrijding in april 1945. Wij liepen toen naar de Canadezen bij hotel Braam (nu Hotel Hardegarijp) aan de Rijksstraatweg. Daar werd chocola uitgedeeld en heerste een heel vrolijke sfeer.

Vooral in de eerste periode van de 19 jaar dat ik in Hurdegaryp woonde (1941 tot 1960), was alles buiten de bebouwing langs Rijksstraatweg, toen nog Zomerweg, Stationsweg en Thoden van Velzenweg boerenland. In het voorjaar was dat allemaal natuurgebied met veel weidevogels. Wie de meeste kievitseieren vond, was een ware dorpsheld. Maar na 19 april mocht je niet meer ljipaai sykje. Daar werd ook strikt op gelet en de hand aan gehouden.

Veel land rond Hurdegaryp lag in de Friese boezem en stond ’s winters onder water. Daar kon je dus al gauw en ook vaak op schaatsen. In het voorjaar vond je op de dijkjes rond het boezemland altijd zoetwaterschelpen (in ‘it Reidlân’ waar nu de Reidslânswei is). Op andere plaatsen bloeiden veel dotterbloemen (in ‘it Súd’, nabij de huidige Jintewarren). 'It Noard' ten noorden van de spoorlijn was één groot natuurgebied, waar omstreeks 1955 nog ontginning heeft plaatsgevonden. Met de pream van mijn vader, die bij de Pôllesingel lag, en met behulp van de kloet kon je er gemakkelijk komen en prachtig varen.

Ook op andere plaatsen kon je als jongens je prima vermaken. Wij speelden vaak bij de boerderij van Kees van der Veen op de Hoek. Daar kwam je via een zandweg (dat begon naast de duplexwoningen) met een aantal haakse bochten met daarnaast een fietspaadje langs het boskje rond het Gaeleslot. In dat boskje was veel mos te vinden. Dat gebruikten we voor de kijkdozen op school. Langs de zandweg was ook bouwland met koolrapen, die we dan aten.

Veel percelen land rond Hurdegaryp hadden een naam, bijv. de seisde heal, de lange jammer, de hege fjouwer en de hege fiif, naar deze laatste is de sporthal vernoemd. Rikus Westra kende er vele van. Zijn deze namen trouwens nu nog bekend?

Hurdegaryp was een langgerekt lintdorp. Als je uit de enige school in het dorp (naast de Hervormde kerk) kwam, dan ging je of naar het oosten of, zoals wij, naar het westen. Je speelde dan ook vrijwel alleen met kinderen uit jouw buurt. De klassen waren klein; die van mij telde 6 meisjes en 3 jongens. Het was een vrijzinnig dorp. Er was alleen maar een openbare school. De christelijke school kwam later, overigens met nogal wat protest.

Het dorp had ook vrij lang ongeveer hetzelfde aantal inwoners. Er kwam vrijwel niemand bij en er vertrokken ook niet veel. De eerste nieuwbouw waren de duplexwoningen aan de toen nog Zomerweg.

Hurdegaryp was dus een vrijzinnig dorp en met het hoogste percentage VVD stemmers van alle dorpen in Tytsjerksteradiel. Notaris mr. J. Gorter uit Hurdegaryp zat lang in de gemeenteraad voor de VVD. Maar het aantal VVD-ers was niet hoog. Er waren toen nog geen Wiegelliberalen. Ook het aantal stemmers op ARP en CHU was gering.

Spannend was de jaarlijkse kortebaanharddraverij op de dinsdag van de kermis in september. “Op uw plaatsen, klaar af” klonk het dan. De “renbaan” was in de omgeving waar nu de Gereformeerde kerk staat. Hurdegaryp was bekend om stal Van der Veen met onder meer het bekende paard YYV. Getraind werd op de Zomerweg richting Tytsjerk, die toen nog niet verhard was. Daar gingen we dan vaak kijken.

’s Zomers deed je aan kaatsen. Ik herinner me nog dat ik bij de jeugdwedstrijd van Reitsje Him een paar jaar achter elkaar de eerste prijs won. Dat kwam niet omdat ik goed kon kaatsen, maar omdat ik steeds in het partuur van Koop Scholten lootte. Hij was toen één van de beste kaatsers van Hurdegaryp. Wij werden dan gehuldigd door Hearke van Os in de box naast het sportveld in de buurt waar nu de Gereformeerde kerk staat.

En in de zomer zwom je met zijn allen in het spoorgat naast de spoorlijn. Dat was reuze gezellig. Met heel mooi weer waren er wel 50 badgasten. De ondergrond van het spoorgat was vooraan hard, maar verderop venig, waardoor het water dan erg troebel werd. Je kwam dan uit het zwembad met een ‘baard’ van veen.

Veel indruk op mij maakte de jaarlijkse uitvoering van de Hardegarijper Sport Vereniging HSV onder leiding van meneer Van der Werf op een winteravond in de bovenzaal van Hotel Braam.

Ook leuk vond ik het vertrek en de aankomst van het jaarlijkse uitje van de bejaarden. Na afloop zaten ze dan nog even in de mooie theetuin naast hotel Braam waar nu de parkeerplaats is van hotel Hardegarijp. We luisterden naar toespraken van de voorzitter van de vereniging van ouden van dagen, Doeke de Vries, en naar de woordvoerder van de bejaarden, Sybren Koop. Beiden bezaten de gave van het woord.

De kerk trok in zo’n vrijzinnig dorp niet veel belangstelling: elke zondag zaten maar ongeveer 25 mensen in de kerk. Alleen met dankdag voor gewas en met Kerst was de kerk vol.

Ik denk nog met plezier terug aan de zondagsschool in de consistorie naast de oude pastorie. Onder de stenen bij het tuinhuisje zag je daar soms hagedissen. De verhalen uit de Bijbel waren vaak spannend. Je zong luidop “Grote God wij loven U, Heer o sterkste aller sterken”. Ik vraag me af of dat lied in de oorlog mocht worden gezongen met de heerser uit Duitsland die niemand boven zich duldde.

In ieder dorp heb je, volgens mij, dorpshumor. Hurdegaryp telde in die tijd 1200 inwoners die je vrijwel allemaal kende. En ieder mens is uniek en heeft wel iets grappigs over zich. De humor in Hurdegaryp was nooit scherp, maar je kon altijd wel lachen.

In de jaren vijftig waren er veel boerderijen en er was nog de hoefsmid. In het dorp was nog geen tractor te bekennen. De meeste bewoners hadden werk in Hurdegaryp als zelfstandige of bijv. bij de boer. Men bezat weinig, maar men vermaakte zich best. Geert Mak heeft ongeveer een jaar bij zijn ouders in Hurdegaryp gewoond. Ik heb wel eens gelezen dat hij Hurdegaryp maar niets vond. Hij heeft vast niet in het dorp geleefd. Mijn mening is dat wanneer je er wel een tijd hebt geleefd, het er gezellig was. Met veel plezier heb ik in Hurdegaryp met zijn mooie omgeving gewoond.

Floris Visser

 

Hardegarijp in de vijftiger jaren.

Toen in 1946 mijn vader Rindert Kooistra en zijn college Harm Nicolai een smederij in Hardegarijp kochten, verhuisden we van Leeuwarden daar naar toe. Het was een gezellig dorp en we voelden ons er al gauw thuis.
Ik ging naar de Lagere School, waar meester Zijlstra het hoofd van was. De school was schuin tegenover ons huis, ik hoefde alleen de straat maar over te steken. Deze straat was de hoofdweg Leeuwarden – Groningen. Er was toen nog niet veel verkeer en ik heb zelfs nog wel op die weg geschaatst, toen het een keer spekglad was.
Als het ijs sterk was, genoten we van het schaatsenrijden op de ijsbaan achter het café bij de spoorweg overgang. Daar heb ik verscheidene rondjes geschaatst. Je kon toen ook over het ijs op ondergelopen land naar Leeuwarden schaatsen.
's Zomers was het hoogtepunt het schoolfeest, wat gehouden werd achter de Hervormde Kerk. Er kwam dan een draai/zweefmolen, een schiettent en een oliebollenkraam. Ook werd er dan een optocht gehouden met prachtige versierde wagens.
We mochten ook altijd graag zwemmen in het spoorgat, ten noorden van Hardegarijp,net over de spoorlijn.Als onze familie een dagje uit wou, huurden we een roeiboot en gingen dan het Noord in. We zochten dan een mooi stukje land op voor een picnic en hadden dan een prachtige dag.
Er was een druk verenigingsleven in Hardegarijp en onze familie deed daar graag aan mee. 's Winters hadden de toneelvereniging, het zangkoor, het fanfarecorps en de gymnastiekvereniging allemaal een uitvoering.
Toen ik nog klein was, mocht ik naar de generale repetities, dat was een heel feest, en later pas naar de echte uitvoeringen. Er was altijd bal na en er kwam dan een hele goeie pianist uit Leeuwarden om voor de muziek te zorgen. Het werd altijd gehouden in Hotel Braam, op de hoek van de Groningerstraatweg en de Zomerweg.
Dat hotel is zelfs nog gebruikt om mensen uit Indie op te vangen, die er door Soekarno uitgeknikkerd waren .Die mensen hebben daar veel kou geleden want die kwamen in de winter aan.
Er waren verscheidene winkeltjes in Hardegarijp. Je kon er alles kopen, wat je nodig had. Als het nodig was kon de vrachtrijder (Feitsma en Hoekstra) een boodschap in Leeuwarden doen en pakjes mee heen en terug nemen.
Achter ons was een wagenmaker, tegenover ons de kapper (mijn oom Willem), bakkerij Zijlstra, en stoffenwinkel Tabak. Verderop was een garage.
Aan onze kant waren een drogist, groenteboer, slager, huishoudelijke artikelen en een kruidenier.
Toen ik 13 was ging ik naar de MULO in Bergum. We fietsten met een groepje heen en weer naar school en dat was heel gezellig.
Toen ik van school kwam kreeg in een baantje als doktersassistente bij oogarts Ten Thije in Leeuwarden en fietste ik daar alle dagen heen. Er ging ook wel een bus, maar ik fietste veel liever.
In 1954 werd mijn vader's collega ziek en is toen overleden aan kanker. Mijn vader heeft toen nog een jaar alleen de smederij gaande gehouden, maar toen heeft hij de zaak aan de gemeente verkocht. Die heeft hem afgebroken, ook het huis ernaast en toen is er een parkeerplaats gekomen...
Mijn vader kreeg werk als draaier in Assen en in 1955 zijn we daarheen verhuisd.
We gingen nog wel eens naar Hardegarijp voor familie bezoek, maar dat werd langzamerhand minder.
Toch hadden we altijd hele leuke herinneringen aan onze 9 jaar in Hardegarijp.

Aukje Koke-Kooistra
Auckland

(met bijzonder dank aan Aukje Koke-Kooistra webmaster www.Hurdegaryp.nl)

 

Zr. Tjitske Kaper (6 nov 2012 +)

Wie kende haar niet in ons dorp, veel ouderen onder ons dragen haar een warm hart toe, helaas is ze niet meer onder ons. Ze heeft veel betekend voor het dorp Hurdegaryp.

 

WIE IS DIE VROUW? Tww no. 5, juni 2010
Door: Jessica Stapenséa en Nynke Hofstede
Deze keer alweer een hele bekende naam in dit dorp. Heb je haar misschien niet zelf meegemaakt als wijkzuster, dan heb je er wel van gehoord van ouders of grootouders; Zr. Tjitske Kaper. Op haar 88ste woont ze nog geheel zelfstandig in het schitterende appartementencomplex aan de Easteromwei. In St. Anna-Parochie stond haar wieg. Haar vader was gardenier, zoals dat toen heette: wat land, wat vee en verder overdag uit werken elders. Tjitske hielp ook mee met de werkzaamheden thuis, maar vanaf het moment dat haar enige broer Arjen werd geboren toen zij l5 jaar was wist ze: baakster "dat wol ik wurde". Het werd echter oorlog en daarna is ze bij de Kraamzorg in Leeuwarden aan de Oostergrachtswal gaan werken en leren (moedercursus). Tjitske wou echter verder leren en ze besloot om in l948 naar Purmerend te verhuizen om daar in het stadsziekenhuis de 3 jarige interne opleiding voor verpleegster te gaan doen. Heel wat voor een meisje van het "Frije Fjild"
in die tijd. Van heimwee heeft ze nooit last gehad en het bleek een prima keus. Na de verpleegstersopleiding in Purmerend heeft Tjitske ook nog in Groningen haar wijkaantekening gehaald. Dat duurde in die tijd 1 jaar.
In 1953 werd dit afgerond en in Lemsterland begon de lange carrière als wijkverpleegster. Na daar een korte tijd gewerkt te hebben kwam Tjitske in 1954 in Hurdegaryp. Pas veel later, in 1964, werd het wijkgebouw van het Groene Kruis gebouwd in het dorp, haar woon- en werkplek. Aanvankelijk was het werkgebied van zr. Kaper heel omvangrijk. Het is nu  niet meer voor te stellen dat alles op de fiets gebeurde, van 't Alddiel tot de brug bij Kuikhorne. Bij harde wind reed zr. Kaper vaak achter een groepje jongens aan die een opleiding volgden aan de kweekschool. Later kwam er een Solex van de baas, maar oh, wat was dat vaak koud. In bar winterweer werd zr. Kaper in auto met chauffeur naar haar bestemming gebracht en nog later; ze had toen haar rijbewijs, kon ze beperkt gebruik maken van een auto dankzij een donatie van het Drijberfonds.
Als we het hebben over werkdruk zoals we die tegenwoordig kennen, zegt zr. Kaper: "dat bestie doe net, jo diene it gewoan".Van de hielprik bij de baby's; de controles op het consultatiebureau; de zorg van patiënten tot aan de dood, alles hoorde bij haar werk. Ze heeft menigeen ook "het laatste hemd aangedaan" en daarnaast ook de nabestaanden begeleid. De samenwerking met de huisartsen is altijd prima geweest. Eerst met dr. Pop-pinga en later met dr. Metzlar en dr. Rhee. Een administratie was er aan-vankelijk niet. Zr. Kaper is begonnen met een schriftje waarin de entingen en consultatiebureaubezoeken werden genoteerd.
Met name de zelfstandigheid en het vrije leven als wijkverpleegkundige heeft ze ervaren als groot goed. Ze heeft tot 1982 steeds haar eigen koers gevaren.Ook nu nog is ze veel onder de mensen; als ze naar de Fuormanderij gaat achter haar rollator ("de holle is goed, maar die fuotten ...") komt ze vaak  dorpsgenoten tegen waarmee dan weer hele verhalen worden gedeeld. Ook in De Hameie is ze vaste gast en tevens vrijwilligster. Hurdegaryp biedt haar voldoende voorzieningen om zolang mogelijk zelfstandig te blijven wonen. En vooral, niet te vergeten: Muziek, is heel belangrijk in haar leven. Een jaar geleden is Tjitske naar de Arena in Amsterdam geweest om van André Rieu te genieten.
Zr. Kaper, een inwoonster van ons dorp waar je wel dagen naar kunt luisteren; zoveel heeft ze te vertellen. Ze heeft dan ook vijf (!!!) generaties meegemaakt.

 

De baker op de foto is Synke, de vrouw van Herman Schuurman. Herman werkte destijds als kaasmaker op de melkfabriek in Bergum. De foto is in de oorlogsjaren genomen. Mijn broer Ids,die op de achterste rij staat links van Synke is geboren in 1938 en zal toen een jaar of 5 /6 geweest zijn.

Kees Baltje
Rotterdam

 

Herinneringen aan Bennema State

Herfst 1946. In Hardegarijp een klein plaatsje onder de rook van Leeuwarden, aan de Rijkstraatweg staat een groot "huis". Bennema State heet het. Voor het huis ligt een grasveld waarin een perk voor bloemen. Door het grasveld meanderen wandelpaden. Ervoor loopt, langs de straat, een brede sloot.

Voor de sloot staat een grote Beukenboom.

Voor een klein meisje van amper 5 jaar is dit een "kasteel".

Het meisje staat, met haar moeder, oma, broer en zus, voor de deur van het huis.

De moeder heeft aan de, mooi glimmend gepoetste, koperen bel getrokken, maar de deur wordt niet open gedaan. Ook niet als er weer aan de bel wordt getrokken.

Net als de vrouwen besluiten om maar weer weg te gaan, komt er om het huis een vrouw aanlopen met een groot schort voor. Ze kijkt een beetje boos en het meisje kruipt achter haar oma weg.

"Jullie mogen niet aan de voordeur komen" zegt de vrouw. "Wat komen jullie doen?" vraagt ze.

Oma doet een stap naar voren en zegt: "Wij komen hier wonen. Wij hebben een brief gekregen met dit adres erin en er staat dat wij hier moeten gaan wonen. Dit is toch het huis van de familie Bontekoe?" Als de oma die naam uitspreekt beginnen de kinderen te lachen. Wat een rare naam. Meteen hebben ze alle drie een draai om hun oren te pakken.

"Wie zijn jullie dan?" vraagt de vrouw.

"Wij zijn de familie Prelle-Hiljé. En wie bent U?" zegt de moeder.

"Ik ben Miene de dienstmeid van mevrouw Bontekoe. En ja nu weet ik het weer. Jullie zouden vandaag komen. Kom maar mee, dan zal ik jullie wijzen waar het huisje voor jullie is".

Ze loopt met het gezin om het huis heen. Daar, aan de achterkant, staat, aan het grote huis vastgebouwd een klein huisje. Miene doet de deur open en loopt naar binnen, een gangetje in. Aan weerszijden van het gangetje zit een deur. Ze doet de eerste deur open en zegt: "Dit is de woonkamer" en terwijl ze de andere deur open doet "En dit is de slaapkamer. Koken moeten jullie in de garage" Terwijl ze dit zegt loopt ze door de gang een grote garage binnen. Tegen een muur staat een tafel met daarop een gaspitje. "Jullie moeten op Butagas koken. En er is ook een petroleumstel. Er is geen toilet, maar buiten staat een klein huisje waar jullie je behoefte kunnen doen. Water haal je uit deze kraan". Ze draait aan een klein kraantje naast de tafel met het gasstel open.

"Waar moeten we ons wassen?" vraagt oma. "Hier natuurlijk, bij deze kraan" zegt Miene.

"Maar nu ga ik weg, want ik heb nog veel te doen. Jullie redden je, denk ik wel. Als je wat te vragen hebt klop je maar aan de achterdeur bij de keuken, daar ben ik". Ze wijst naar een deur aan de achterkant van het huis.

Oja, ze hebben zich gered, die drie jaren, dat het gezin in het kleine huisje achter Bennema State, woonde.

Ze hebben de muren van de woonkamer, waar de tengel in lappen langs hing, eerst met kranten dichtgeplakt en later heeft de moeder er behang op geplakt. Ze hebben op de planken vloer waar de planken niet helemaal aaneen sloten en waarop helemaal geen vloerbedekking of zijl lag, een groot kleed gelegd. Ze hebben de grote potkachel in de "woonkamer" opgepoetst. Naast die kachel zat later, eens in de maand, op de enige leunstoel die de kamer rijk was, de petroleumboer te genieten van een kopje koffie die de oma voor hem zette. Hij beleef altijd heel lang praten en soms kreeg hij een bordje Nasi Goreng. Hij vond dat lekker en zei dat hij altijd uitkeek naar zijn maandelijkse bezoekjes, want het was zo gezellig bij die Indische familie. Later genoot Miene ook van het Indische eten waarvan ze, toen oma voor het eerst een maaltijd klaarmaakte, zei dat het stonk. Ja, oma kookte in de garage waar ze tegen een muur twee gieremmers had neergezet. Één voor de kleine boodschap en één voor de grote boodschap. De kinderen mochten niet in het "huisje". Elke avond gooide de moeder de beide gieremmers leeg in de ton die, onder een deksel in het huisje stond. En één keer in de week zette Pieter, de knecht en ook tuinman, de ton op een grote kruiwagen, en leegde die ton in een grote beerput die achter het huis stond. Slapen deed het gezin in de huiskamer waar, tegen de muur, een opklapbed stond. En in de slaapkamer waar twee twijfelaars sontden. Broer sliep in de huiskamer, de meisjes in de ene twijfelaar en de moeder met de oma in de andere twijfelaar.

Het was niet echt aangenaam in dat kleine huisje. Boven de huiskamer ontdekten ze, de eerste toen ze kwamen, lag het nachthok van de kippen, die een ren hadden achter de garage. Ja, heus, boven hun hoofd en de eerste de beste avond viel er, door de spleten van het plafond, af en toe een kippenstrondje op de eettafel. Ook het plafond werd dus dichtgeplakt met kranten.

Al die tijd dat de familie in het huisje woonde bleven de kippen boven hun hoofd kakelen. De potkachel in de huiskamer was de enige warmtebron in het huis. In de strenge winter van 1947 gaf die kachel nauwelijks warmte. De oma liep de hele dag met een warme sjaal om haar hoofd, die ze af en toe tegen de kachel warmde. De kinderen sliepen met trainingspakken en dikke truien en met warme kruiken. Ze werden elke zaterdag in een grote teil, gevuld met warm water, van top tot teen gewassen. Alle drie in hetzelfde water. En om de beurt als eerste middelste of laatste. Want om het water warm te krijgen kookte de moeder elke keer wel vier ketels water op het kleine gaspitje. Maar er werd niet geklaagd, want de kinderen leerden er schaatsen op het ijs van de sloot die naast het pad naast de garage liep. De hele jeugd van Hardegarijp kwam, toen voor het eerst, op die sloot schaatsen. Of ze speelden in het bos achter de State, waar ook een kleine vijver lag met kikkervisjes, schrijvertjes, geel gerande watertorren, libellen, waterlelies, lisdodden, waar je dikke sigaren van kon maken. Er was een groot grasveld met in het midden een pruimenboom. En natuurlijk, tot grote ergernis van Pieter "jatte" menig kind er wel eens een pruimpje. De Hardegarijpse jeugd klom in de bomen, zocht in de herfst beukenootjes die in de oven van de dorpsbakker werden gepoft, jammie.

De dire kinderen genoten van het leven in Hardegarijp, waar ze al gauw dikke vrienden waren met de boerenjeugd en ook snel de Friese taal leerden.

En meneer en mevrouw Bontekoe? Vonden die dat allemaal goed?

Ze zagen de eigenaren van Bennema State zelden. De "dokter" zagen ze wel eens fietsen en mevrouw kwam af en toe bij de deur van het huisje, nee nooit kwam ze binnen, een praatje maken, of iets lekkers brengen. Ze bracht zelfd een cadeautje als de kinderen jarig waren en ook de taak van Sinterklaas nam ze over. Maar altijd aan de voordeur. De kinderen noemden haar Mevrouw Tjunkè (Indonesisch voor kruidnagel) omdat ze zo lekker naar kruidnagel rook. Ze vonden mevrouw ook heel mooi. Ze had altijd mooie kleren aan en een broche op haar jurk, een dure ketting om en haar haren waren heel mooi grijs en netjes gekapt. Ze hadden van hun leven nog nooit zo'n dure dame gezien.

Het kleine meisje kwam wel in het grote huis. Een keer in de maand kregen de "dokter" en zijn vrouw bezoek en dan moest het kleine meisje komen dansen. Dan trok de moeder het kind een sarong (Indonesische rok) en een wit bloesje (kebaja) aan. Ze deed het kind een bloem in het haar en op haar handjes zette ze een schoteltje met een kaarsje. Op haar blote voeten ging het kind dan naar het grote huis. Daar zette de dokter een plaat op de draaitafel, hij stak met een grote lucifer de kaarsjes aan en op de klanken van Het Zwanenmeer van Tjaikofsky (elke maand hetzelfde stuk) danste het kind voor meneer en mevrouw en hun gasten of haar leven ervanaf hing. Ze kreeg altijd een uitbundig applaus, vooral van de "dokter" en in de keuken kreeg ze van Miene een glaasje limonade en een, zelf gebakken, koekje. Ze kreeg ook elke keer wat koekjes mee voor haar broers en zus. Die overigens nooit in het grote huis kwamen.

Het was heel mooi in het grote huis. Mooie stoelen en tafels, kasten en kastjes. Een heel dik tapijt op de vloer. Dat voelde heel lekker zacht aan haar blote voeten. De eerste keer dat ze in het grote huis kwam durfde ze bijna niet te lopen. Ze keek haar ogen uit. Wat een verschil met de meubels uit het kleine huisje, waar in de huiskamer een eettafel met vijf stoelen stonden en die enkele leunstoel waar de petroleumboer altijd zat als hij kwam. Die stoel rook daarna ook altijd naar petroleum.

Nee, in het grote huis rook het niet naar petroleum, maar naar boenwas en koperpoets en naar de kruidnagel van mevrouw.

De familie in het kleine huisje kreeg ook af en toe bezoek van andere Indische mensen die een kamer hadden in het dorp. Dan werden er spelletjes gespeeld en roedjak gegeten die oma had gemaakt van appeltjes uit de boomgaard die naast het huis lag. Die appeltjes kregen ze van Pieter. Als hij ook wat van de roedjak mocht proeven.

Met Miene, die de eerste dag zo boos deed, kregen de kinderen een hele goede band. Ze was een hele lieve vrouw die in een huisje naast de State woonde en waar de kinderen vaak een snoepje kwamen halen. Ze gaf de kinderen kleiknikkers en soms één van glas.

Ja, het was behelpen in het huisje en waarom kregen ze niet kamers in het grote huis met de vele kamers waar alleen mevrouw en meneer woonden. Dat is altijd een vraag gebleven.

Later hoorden ze dat het huisje vroeger, toen de "dokter" nog huisarts was, zijn praktijkruimte was. Daarom stonden er boven de deuren de woorden Wachtkamer en Spreekkamer.

Het gezin is in de herfst van 1948 naar Amsterdam vertrokken waar ze in een bovenverdieping gingen wonen met een toilet een echte keuken en een badkamer.

Heel wat anders als in Hardegarijp. Maar de tijd in dat dorp was was geweledig geweest.

De kinderen gingen er naar school. De hoofdonderwijzer was de heer Zijlstra. De plaatselijke winkeliers sloten de leden van de familie in hun harten. Oene en Atsje, de eigenaren van de kruidenierswinkel gaven wel eens, als de moeder niet genoeg geld had, boter, jam en kaas gratis weg. En de vader van Douwe Bakker, toevallig de bakker van het dorp gaf zijn zoon, die bevriend was met de broer van het kleine kind, wel eens brood mee. Of voor ieder een krentenbol. En de klompenmaker die zijn bedrijfje tegenover Bennema State had, gaf de beide meisjes zelfgemaakte miniklompjes mee.

Die klompjes heeft het kleine meisje, inmiddels een vrouw van 70 jaar oud, nog steeds. Ze hangen in haar huis in Apeldoorn aan de muur.

Judy Kers-Prelle

 

 

By Joomla 1.6 Templates and Simple WP Themes