Rond de oorlogswinter ’44-45

Kees Leemhuis

Hurdegaryp
Rond de oorlogswinter ’44-45 meegemaakt door toen 10 jarige Kees Leemhuis op vakantie bij Pake en Beppe in Hurdegaryp.Sinds 1957 woont Kees Leemhuis in Zweden.Geboren en getogen Hurdegarypers konden het toen kleine mannetje Kees nog wel herinneren.
het hele verhaal is te lezen hier op de website van Hurdegaryp.


Rond de oorlogswinter ’44-45 meegemaakt door toen 10 jarige Kees Leemhuis op vakantie bij Pake en Beppe in Hurdegaryp.

 

Toen zomerweg 60F, (Thans familie Sjoerd Kempenaar)


Mijn grootouders, Cornelis en Betje Leemhuis, woonden aan de, wat toen de Zomerweg 60F heette (nu Burgemeester Drijberweg). Het was het huis met een rieten dak. Ik geloof dat het het enig rieten dak daar was. Zij kwamen daar te wonen in het begin der veertiger jaren met de bedoeling om
op hun oude dag in de buurt van hun dochter te kunnen wonen.
Zij, oftewel mijn tante was getrouwd met de dames kapper Chris Baptist en zij woonden in Leeuwarden. De naam Leemhuis is Oost Fries en komt veel voor in de buurt van Groningen, Leer en Weener. Ik zelf ben in 1935 geboren en woonde destijds in Den Haag.


 
Cornelis en Betje Leemhuis "Hurdegaryp"


Mijn herinneringen van Hardegarijp zijn dus die van een kind en beperkt tot een paar zomervakanties tijdens de oorlog, speciaal de oorlogswinter 1944-45 en mijn zomervakanties van na de oorlog. Het leven in Hardegarijp was heel iets anders als dat vergeleken met mijn kindertijd in de grote stad. Ik herinner mij speciaal de heerlijke warme zomer avonden als wij in de stralen van de ondergaande zon met opa en oma op de bank buiten samen zaten. Af en toe hoorde je een koe loeien. Ook hoorde je in de verte de metalen klank van de melkemmers die na het avond melken schoon werden gemaakt. Het puffen van de stoom locomotief op de spoorbaan hoorde men afgewisseld met het geluid van paardenhoeven op de bestraatte weg. Motorgeluid was er niet.


  Scherjon's klompenmuseum

Tijdens mijn eerste vakantie in Hardegarijp, dat moet 1942 zijn geweest, werd ik voorzien van een paar klompen. Schoenen werden bewaard als we weer terug gingen naar de grote stad. 


Die klompen werden gekocht tegenover de kerk in een winkel waar bijna van alles kon worden gekocht. Ik weet nog dat er twee soorten klompen waren. De ene had een kap en de andere een leren riempje over de wreef. Die klompen met kap waren veel stoerder vond ik. ”Beppe” of Oma Leemhuis bepaalde toentertijd wat het beste voor mij was en die klompen werden dan gekocht.


  De smederij links  

Naast de winkel was de smid. Bij hem heb ik uren staan kijken hoe hij de paarden schoeide of gereedschap van de boeren repareerde. Het mooiste was als hij een houten wiel met een nieuwe ijzeren „hoepel“ of loopvlak voorzag. Het houten wiel met spaken werd nat gemaakt. Nadat de ijzeren hoepel tot een ring aan elkaar was geweld en nog steeds heet was werd het rond het houten wiel geperst en meteen met water afgekoeld.


Wat ik op latere leeftijd heb kunnen begrijpen deed hij al het smeedwerk zonder dat er een lasapparaat bij kwam. Het moet een uitstekende vakman zijn geweest als ik zijn werk vergelijk met dat van ander vakmensen die ik in mijn latere leven heb ontmoet. 

Als het goed weer was werd er gevist. Opa Leemhuis was een verwoedt visser en had dus een aanzienlijke hoeveelheid toebehoren die hij meesleepte in een grote schoudertas. Het was prachtig om met Opa mee te mogen gaan vissen. De wormen werden uit de tuin gehaald door een spade in de grond te stoppen en daar met de hand tegen te slaan. De wormen kwamen dan automatisch de grond uit. Meestal gingen we bij hun achter de tuin uit en liepen diagonaal over het voetbalveld en dan kwamen we aan de vaart die in noordelijke richting in het centrum van Hardegarijp in een kolk uitkwam. In die tijd toen alles op de bon was kwam een mooie snoek of een paar baarsjes als een maaltijd wel te pas. Groenten en aardappels kwamen uit het tuintje. Er was zelfs plaats voor een paar konijnen en enige kippen. Opa was dan ook altijd in zijn tuintje bezig. Uit de opbrengst van het tuintje ging tijdens de schaarste vanwege de oorlogstijd dan ook altijd een bepaald gedeelte naar de familie in Leeuwarden. 

In die tijd was er zelfs nog een mogelijkheid om een pakje te versturen en dat ging dan met de bode. Dit was een eenvoudige zaak. Men stopte een krant tussen het raam en het gordijn aan de straatzijde. De bode hield dan uitkijk naar zo’n krant en belde dan aan om het pakje op te halen.

Opa Leemhuis rookte zeer veel. Ondanks dat is hij 89 geworden. Tabak was er niet of heel weinig, dus hij teelde zelf zijn tabak. Alles nog steeds in dat zelfde tuintje.


 

Zomerweg 1952 bern Lubbert van Akker

De tabaksbladen droogde hij op zolder onder het rieten dak. Als die tabaksbladen goed gedroogd waren probeerde hij deze eerst zelf de snijden met slecht resultaat ten gevolg. Er schijnen meerdere te zijn geweest die tabak hebben geteeld want verderop aan de Zomerweg was een timmerman die een apparaat had bedacht om van tabaksbladen shag te maken.Hij had een autodynamo voorzien van een propeller en op een mast op het dak van zijn werkplaats gezet. Deze dynamo laadde een accu die op zijn beurt weer was aangesloten aan een startmotor van een auto. Op de as hiervan zat een mes gelijkend een kaasschaaf. De tabaksbladen werden met de hand in een ijzeren buis geperst en onder druk gezet. Aan het andere einde van de buis ging de kaasschaaf of mes heen en weer en sneed de tabak in keurige vezels. Of de shag te genieten was als tabak weet ik niet. Daarnaast of enige huizen verder woonde de loco-burgemeester van Veen. Dit was de grootvader van Jitse en Geert van Veen. Hun vader had een boerderij aan het water ten westen van de Zomerweg achter de “5 of 7 huizen”.

Zomers werd daar in de vaart gezwommen. Men liep over het erf van de boerderij en over het weiland naar de vaart. Af en toe stond daar ook wel eens een stier aan een ketting waar we dan angstvallig met een grote cirkel om heen liepen om bij het water te komen. 

Om aan wat brandstof te komen werd door van Veen op de weide bij de vaart van planken een afbakening gemaakt met een hoogte van 20-30 cm en 3-4 meter lang en breed. Deze ruimte werd gevuld met veen wat uit de vaart werd gebaggerd. Deze massa droogde en kromp en werd dan tot turfen gesneden waarna ze luchtig werden opgestapeld om verder te kunnen drogen. 

Tussen het huis op 60F en de buurman de Vries (zij hadden 3 dochters) was een stuk grond dat toen nog niet was bebouwd. In de zomeravonden of zaterdagen stonden daar aan de weg enige buurmannen om met elkaar te praten en waar ze “alle problemen in de wereld konden oplossen”. De daar wonende kinderen stoeiden en speelden daar ook. Tijdens het praten werden door de mannen o.a. fluitjes voor de kinderen gesneden van de wilgentakken die daar groeiden. Tegenover dit stuk land woonde een vriend van mijn oom uit Leeuwarden. Zijn naam was Piet Hiemstra. Tijdens de oorlogswinter 44-45 was er helemaal geen elektriciteit. Piet Hiemstra is in een paal geklommen die vlak voor zijn huis stond. Naar ik aanneem was die van de elektriciteit maatschappij. Hierbij heeft hij contact gemaakt tussen de leidingen en de 
draden naar zijn huis en heeft op deze manier toch zijn huis van elektriciteit kunnen voorzien.

Schuin tegenover ons was een klein kruidenierswinkeltje. De zoon van het echtpaar dat daar woonde was een van de vriendjes waar ik veel mee speelde. Verderop, naast de speeltuin van Braams, woonde nog een jongen van de zelfde leeftijd. Zijn vader was veehandelaar en als we met hem speelden moest je altijd veehandelaar spelen. Koeien en paarden werden op papier getekend en later uitgenipt en met stokjes werden afrasteringen gemaakt. Als er op een koe een bod werd gedaan sloeg men op elkaars open hand tot dat de koop werd afgesloten. Deze jongen moet het met die ervaring ver hebben kunnen brengen.

 

Naast ons woonde meester Kinderman. Hij was onderwijzer aan de lagere school naast de kerk waar ik ook op school ging. Ik heb hem ook als onderwijzer gehad. Er zaten daar tenminste twee jaargangen in dezelfde klas met slechts één onderwijzer. De hoofdmeester, een altijd glimlachende en forse man stond altijd bij de schooldeur als de bel ging. Zijn dochter zat bij mij in de klas. Op weg naar school had men klompen aan. Hard lopen op die dingen was moeilijk speciaal in het begin. Was er kans dat men te laat kwam op school dan trok men eenvoudig de klompen uit en liep op de kousenvoeten. Dit ging wel sneller maar de kousen werden er niet beter van en als je na school weer thuis kwam had dat boze blikken tot gevolg. Dan moest je als straf oude versleten sokken uithalen en de draad oprollen om wol voor het stoppen te verkrijgen.

Achter ons was het voetbalveld. Voordat daar voetbal of andere sporten werden gespeeld moesten eerst de koeien van het veld en de koe-pannekoeken verwijdert worden. Ook werd daar weleens gekaatst. Een sport die ik nooit heb begrepen. Op het Zweedse eiland Gotland in de Oostzee schijnt een aan kaatsen gelijkende sport te zijn wat “perk” wordt genoemd. (zijn deze sporten aan elkaar verwant ?)

Tijdens de oorlog was het verplicht voor diegenen die plaats hadden om Duitse soldaten onderdak te verlenen. Dit gelde dus ook voor mijn grootouders. Of er door de Duitsers voor de logies werd betaald weet ik niet. Er werd door de Duitsers bij hen niet gegeten, dat was verboden. Af en toe, maar tamelijk zelden, kregen mijn grootouders wel eens iets van de ingekwartierde Duitse soldaten in de form van etenswaren. Mijn oom vanuit Leeuwarden heeft bij mijn grootouders een tijd ondergedoken gezeten. Of hij daar gelijktijdig was met de Duitsers kan ik me niet voorstellen. Later is hij opgepakt en moest aan de ijssellinie werken.

Opa Leemhuis had zijn radio in moeten leveren maar hij had er nog een. Dat was een heel oud ding met een z.g. anode batterij en beweegbare spoelen om de frequentie van de radiozenders te peilen. Deze radio was verstopt in het rieten dak en met deze luisterde hij op zolder naar het nieuws vanuit Londen. Dit luisteren was levensgevaarlijk en wij als kinderen wisten daar dus niets van. Deze oude “stoomradio” kwam na de bevrijding te voorschijn en toen konden wij daar naar luisteren. Ik kan mij herinneren dat wij op het nieuws hoorden dat een atoombom op Japan was geworpen. Dat was Augustus 1945.

 

Op een gegeven ogenblik, midden in de herfst of winter, waren er opeens een heleboel kinderen van verschillende leeftijden die, zo ver ik mij kan herinneren, allemaal uit Amsterdam kwamen. Hoe die naar Hardegarijp zijn gekomen is mij onbekend. De meesten verzamelden zich in de namiddag in de speeltuin van Braams. Daar stonden nog een paar grote schommels e.d. Als het slecht weer was mocht je daar toen in de biljarthal van het hotel spelen.

Het verwarmen van het huis was toen een groot probleem. Alles wat maar branden kon werd gebruikt om de temperatuur enigszins op peil te houden en/of de aardappelen te kunnen koken. Zout was er niet. Overigens zijn we wel goed door Oma en Opa gevoed. Ieder namiddag gingen wij naar de boer om verse melk te halen. Meestal was dat bij van Veen. De melk liet Oma staan en die werd de volgende dag afgeroomd. De dikke room ging in flessen en die liet ze staan tot dat die zuur was geworden. De fles werd dan enige tijd geschud totdat het vet als boter 
en de melk als karnemelk zich van elkaar scheiden. Daarna werd boter in het water gekneed om de melk er uit te halen en dan bewaard. Ik heb nooit meer in mijn leven karnemelk gedronken die zo lekker was.

Elektrische verlichting was er dus niet en de verlichting die er was kwam van kaarsen tot dat die op waren. De beste oplossing was om maar vroeg naar bed te gaan ook was dat niet de beste oplossing want je werd ook vroeg wakker natuurlijk. Als de kaarsen op waren en er nog slaolie was, gebruikte men die olie om een lichtje te maken. Eerst werd een glas voor de helft met water gevuld. Daarna kwam er een kwart gedeelte olie die op het water dreef. In de olie kwam een drijvertje, gemaakt was van een driekantig geknipt stukje blik. Iedere hoek was voorzien van een stukje kurk met in het midden van de driekant was een gat geslagen met een spijker waardoor een katoenen draad werd gestoken. De draad werd verzadigd van de slaolie kon dan worden aangestoken. Ook aan de voorraad slaolie kwam een einde en dan probeerde men gesmolten boter wat gevarieerde resultaten gaf. 

Ik geloof dat het de dokter was die een dag bij ons aan kwam en dat die onderzocht hoe wij het hadden met verwarming. Deze man woonde even buiten het dorp in oostelijk richting en had heel wat grote bomen op zijn grond. Hij zou namelijk een paar bomen omhakken en dan diegenen die behoefte hadden helpen met wat brandhout. Inderdaad kwam na een paar dagen enige stukken boomstam die opa tot brandbaar hout veranderde. De mogelijkheid om te koken was heel belangrijk omdat niet voldoende verwarmd voedsel ziektes kon veroorzaken. 

  ijsbaan zoals het vroeger was.


In de winter 44-45 werden er zelfs schaatswedstrijden gehouden. Doordat de pompgemalen niet werkten kwamen enige laag gelegen weilanden in het westen, tussen het dorp en de spoorbaan, onder water te staan dat dan bevroor. Hier werden wedstrijden gehouden. Men stond met de sokken direct op de schaatsen die met leren riemen om de voeten werden gebonden.

Al dan niet op de bon, er was altijd wel wat te eten. Kleding en schoenen kon men niet kopen. Mijn moeder die in haar jonge jaren in de mode business had gewerkt kon goed met de naai machine overweg. Zij hielp de mensen rondom in het dorp om kleding te veranderen en vooral die voor de opgroeiend kinderen aan te passen. Bij de boer kreeg zij dan meestal als vergoeding etenswaren. Een van haar klanten was Klaas en zijn familie. Zij woonden aan de Stationsweg(straat) naast de tuinder vlak bij de spoorwegovergang. Wat Klaas voor zijn beroep deed weet ik niet maar hij nam het heft in eigen handen om zijn gezin van eten te voorzien. Bij Klaas thuis werden een aantal koeien “naar de eeuwige jachtvelden geholpen”. Speciaal in de winter werden ze in het donker naar zijn huis(je) gesleept en werden daar in het (kleine) keukentje geslacht. 

Mijn moeder kreeg op die manier als vergoeding een stuk vlees van Klaas zijn vrouw. Het overige vlees werd vermoedelijk op de zwarte markt verkocht. Dat er meer zwart werd geslacht is zonder meer waar. In de heg of bosjes naast de school lag o.a. het geraamte van een koeien kop die men misschien tijdens de zomer toen het nog groen was daar zolang had verstopt. Dat vonden we griezelig. Ook kregen we wel wat graan. Dit werd in een oude koffiemolen, die heel fijn ingesteld was, gemalen. 

In de wintermaanden van begin 1945 vlogen de geallieerden veel over Friesland. Als je s’avonds in bed lag hoorde je het geronk van honderden of misschien wel duizenden bommenwerpers die op weg waren naar Duitsland. Als er maanlicht was kon je de condensatie strepen van de uitlaatgassen van de motoren duidelijk zien. Af en toe konden de ramen in de slaapkamer rinkelen van het motorgeluid. Ver weg zag je de kegels van zoeklichten die over de nachthemel speelden en je hoorde de dove knallen van het afweergeschut van de Duitsers. Enige tijd later kwamen de bommenwerpers weer over maar niet meer in dezelfde goede orde als eerst toen ze op weg waren naar Duitsland.

Een bepaalde nacht zag je, als je vanuit de kamer over de weilanden naar het oosten keek, dat de hemel aan de horizon oranje was gekleurd. Waarschijnlijk had een aanval op Emden plaats gevonden.

Later, het was een Zondag waarschijnlijk in April, trokken bepaalde Duitse eenheden zich terug en waren op weg naar Duitsland over de Groninger straatweg. Zij werden dan af en toe aangevallen door geallieerde jachtvliegtuigen. Een zonnige dag toen wij buiten waren hoorden wij het geluid van een vliegtuig dat steeds luider werd en opeens dan het geluid van de kanonnen. Wij zagen dat de jager in oostelijke richting vloog over de Groninger straatweg. 
De dag daarna hoorden wij dat z.g. moedige jongens tijdens de aanval de Groninger straatweg op zijn gegaan om hulzen van het vliegtuig op te rapen!Wat het resultaat is geworden van deze aanval is mij niet bekend.

De bevrijding kwam steeds dichter bij. Omstreeks die tijd gingen wij niet naar school. Op eens zagen wij op de straatweg een verkenningswagen. Het was het eerste voertuig en was een Canadees. Het zag er uit als een tank maar had in de plaats van rupsbanden zware rubberbanden. Later kwamen er meerdere en zij reden het dorp in alle richtingen door. Overal kwamen er toen vlaggen te voorschijn en de mensen kwamen de straat op. Ook kwamen er Nederlandse auto’s te voorschijn. Waar die vandaan kwamen is mij een raadsel om dat al de auto’s eerder door de Duitsers gevorderd waren. Ik geloof dat ook bij van Veen een auto te voorschijn kwam. Naar ik aanneem was deze verborgen geweest in de hooiberg. Het waren allen karakteristieke vooroorlogse auto’s met grote spatborden met aangemonsterde schijnwerpers. Leden van de BS, gekleed in overals en een band om hun arm. zaten op de spatborden met de schijnwerpers tussen hun benen om zich op die manier vast te houden en met wapens in hun handen. Ze patrouilleerden door het dorp om de orde te handhaven en haalden mensen op die fout waren geweest.

Er schijnt dat in het moeras/watergebied even ten noorden van Hardegarijp nog schietpartijen hebben plaats gevonden omdat daar nog Duitsers zich hadden verschanst. Of het de BS of Canadezen zijn geweest die daar de boel hebben opgeruimd is mij onbekend. Wel hebben wij gehoord dat er werd geschoten.

Nu kwamen er eindeloze colonnes met tanks en vrachtwagens door het dorp. De straatweg kon men onder bepaalde tijden helemaal niet oversteken. De voertuigen denderden voorbij en veroorzaakten veel lawaai. Bij de school aan de noordzijde van de straatweg (bij het postkantoortje) was iemand zeer ernstig ziek en lag op sterven. Om de situatie voor die persoon wat te verbeteren had men een dikke laag zand op de straat verspreidt wat het geluid van de banden dempte. Langs de weg stonden de kinderen met papier en potlood en schreven alle autonummers op. Dit waarschijnlijk om zich zelf bezig te houden.

Op de stationsstraat stond een contingent rupsvoertuigen een dag opgesteld. Ze kregen later order om te vertreken en allen waren gedwongen om op de straat om te keren.
Ze draaiden met hun rupsbanden over de straat en op die manier drukten ze daar alle straat klinkers ter zijde. Het had als gevolg dat de Stationsstraat tussen de bakker en de spoorweg onbegaanbaar was geworden.


 
Rijksstraatweg Hurdegaryp


Vele mensen verzamelde zich aan de Groninger straatweg bij Hotel Braams.
Enige Canadese militairen, waarschijnlijk officieren, trokken bij het hotel in. In de theetuin en voor het hotel stonden hun jeeps en bren-carriers en daarin lagen hun wapens, amunitie, eierhandgranaten en alles zonder enige opzicht. Grote vrachtwagens kwamen daar ook aan en voorzag de Canadezen in het hotel met levensmiddelen, benzine e.d. De voertuigen werden bestuurd door jonge militairen. Als 10 jarige jongen zou je dolgraag een eindje mee hebben willen rijden. Dat kon niet maar de wat oudere meisjes mochten wel! Destijds was dat voor mijn begrippen echt onrechtvaardig of oneerlijk. Later heb ik daar wel begrip voor gekregen.

De Canadezen bleven wel enige tijd in Hardegarijp hangen. Een paar vriendjes en ik kwamen in contact met een jonge soldaat die een koppel had die onze aandacht trok. In de koppel waren ringen en insignes gestoken die allen van Duitsers afkomstig waren. Allen hadden hakenkruis of gelijkende symbolen. Met tekenspraak verklaarde de soldaat dat hij deze van Duitsers had afgenomen maar ook van gesneuvelde soldaten. Hij liet met gebaren zien dat als hij de ring niet op de normale wijze los kon trekken dan nam hij zijn mes en sneed te vinger af en kon zodoende de ring er de ander kant op eraf trekken!


  Bevrijding feest Hurdegaryp


De bevrijding werd behoorlijk gevierd o.a. met optochten van versierde boeren karren, koetsen en dergelijke. Allen met Friese of Nederlands vlaggen en er werden optochten gehouden. Wij kinderen waren verkleed en op iedere kar was er een tafereel van een gebeurde situatie. Dames met de schitterende Friese klederdracht en hun gouden kappen reden mee in de optocht. Er werd door koren gezongen voor de Canadezen.

Op het voetbalterein achter ons speelden de Canadezen een voetbalwedstrijd tegen een elftal van het dorp. Deze wedstrijd ging vooraf aan een concert van een militair orkest met o.a doedelzakken. Ze marcheerden in figuren en in verschillende richtingen over het veld. De Canadezen waren gekleed in hun parade uniformen met o.a. een kilt. Dit laatste was iets bijzonders. Kan je het je voorstellen: Mannen met rokken! Dat was nieuw voor ons.

Enige tijd na de bevrijding kreeg iedereen nieuw papieren geld en we moesten het oorlogsgeld inleveren. Dat was spannend. De munten van het oorlogsgeld waren gemaakt van zink. Eerder was het originele Nederlands geld gemaakt van brons (centen en stuivers), nikkellegeringen (dubbeltjes en kwartjes) en zilver (guldens en rijksdaalders). Van dit geld hebben de Duitsers producten voor de oorlog gemaakt. 

De eerste producten die op de markt kwamen waren sigaretten en waren o.a. van de merken Camel en North State. De tabaksindustrie liet geen dag verloren gaan.

Sinds 1957 woon ik in Zweden en heb hier mijn familie met kinderen en kleinkinderen.


  huis notaris Gorter


Voor een paar jaar geleden was ik met de auto onderweg naar Nederland. Op de weg in Denemarken, vlak voor we bij de veerboot naar Duitsland aankwamen, passeerde met schijnbaar veel haast een Nederlandse auto mij. De ingezetenen waren twee dames. Op de veerboot kwamen ze zij vlak voor mij te staan waarvoor ik hen in het Nederlands aansprak. Tijdens het gesprek bleek het dat een van de dames oorspronkelijk uit Hardegarijp kwam. Het bleek de dochter van de notaris (Gorter) te zijn die op de hoek van de Stationsstraat en de Groninger straatweg had gewoond

Geloof me, de wereld is klein.

Hallstahammar, Zweden 2006-11-01
Kees Leemhuis

(met meer als bijzonder dank aan Kees Leemhuis, webmaster hurdegaryp)
(c)hurdegaryp 2006

By Joomla 1.6 Templates and Simple WP Themes